Gesprek op de bank

Twee weken geleden was ik een ondernemer in een simulatie in het onderwijsprogramma ‘Commissaris in het Familiebedrijf’ van Tilburg University. Wim Dubbink, professor of organization and business ethics, nodigde de deelnemers aan het programma uit met mij een moreel gesprek aan te snijden over een situatie waar ik als ondernemer weet van had, maar waar ik geen actie op nam. Volgens wettelijke regels viel me niets aan te rekenen, maar moreel gezien …?

Wim Dubbink schreef me voorafgaand aan de simulatie: “Een moreel gesprek is wat mij betreft een zeer persoonlijk gesprek waarbij iemand zich uiteindelijk de vraag stelt: “Wie ben ik en wie zou ik moeten zijn?” Vanuit die optiek moet iemand zijn handelingsopties overwegen.’
Vooraf las ik zijn artikel ‘Organizational Integrity and Human Maliciousness.’ Kort geparafraseerd (waarmee ik het artikel uiteraard geen recht doe): de mens heeft kennis van ‘goed en kwaad’, maar de motivatie zich ernaar te gedragen kan onder druk komen te staan. Moreel gedrag wordt dan een plicht. Bijvoorbeeld in situaties waarin we moeite kunnen ervaren persoonlijk geluk na te streven als we ons alleen binnen de grenzen van moraliteit begeven. Om dat spanningsveld tussen weten wat het ‘moreel juiste’ is en de aantrekkingskracht van ‘het andere’ te verkleinen, rationaliseren en rechtvaardigen we de keuze ons niet strikt binnen grenzen van de moraliteit te gedragen, bijvoorbeeld door te zeggen: ‘ik handel binnen de grenzen van de wet’ (zoals je bijvoorbeeld mensen met topsalarissen hoort zeggen als ze een bonus incasseren) of door het gesprek te verleggen naar vrijheid van opvattingen (‘ik zie dat anders’) of door de verwijzing naar gedrag van anderen (‘zij doen het ook’).

Nu kun je een goede discussie hebben over of er zoiets als absolute moraliteit bestaat, feit is wel dat we allemaal te maken hebben met wat andere mensen zien als juist of niet juist gedrag.

“Wie ben ik en wie zou ik moeten zijn,” is een vraag die men zich uiteindelijk in het morele gesprek zou moeten stellen, schreef Wim.
Het is een vraag die Agnes, hoofdpersonage in Groener gras, zichzelf stelt.
Agnes meldt zich aan op Second Love.
Is dat moreel juist?

Eind mei was ik op de verjaardag van een vriendin. Ze werd vijftig. Met generatiegenoten, opgegroeid met de verworvenheden van de seksuele revolutie, spraken we over onze kinderen naar aanleiding van het onderwerp van mijn boek (Groener gras). Het viel ons op dat de jongeren, zoals onze kinderen, snel(ler) morele oordelen hadden over elkaars gedrag in relaties. Met iemand gezoend? Dan mag je niet daarna met iemand anders zoenen. Drie vriendjes in een jaar? Dan ben je een slet.
Niet lang daarvoor sprak ik met een jonge man. Hij was geschokt dat Agnes op een kerstdag heimelijk berichtjes aan het checken was op de Second Love site. ‘Met kerst!’ benadrukte hij. Hij vond het een groter bedrog dan op een willekeurige dag, want kerst was voor hem bij uitstek het feest van familie en verbinding. (Waar ik zelf denk dat voor ook een flink aantal mensen kerst bij uitstek het feest is van eenzaamheid en drama.)

Ik vind overspel een vervelend woord. Het draagt een oordeel* in zich.

(* zo besprak ik ook met Roel Fooij in de Treetalk)

Het roept heftige emoties op.
Toch bestaan buitenechtelijke relaties al zo lang als mensen met elkaar trouwen. De norm van trouw is krachtig, maar moeilijk na te leven, zo lijkt het.

De romantische liefde, waarbij we vinden dat onze partner exclusief moet zijn en alles voor ons moet betekenen, was niet altijd vanzelfsprekend. In den beginne werden huwelijken gearrangeerd. Er werd getrouwd – al dan niet in opdracht van familie of kerk – vanwege economische zekerheid, voortplanting en daarmee het uitbreiden van de groep gelovigen en het zeker stellen van erfenissen. De kerk schreef dan wel trouw voor, maar – zoals dat met meer kerkelijke voorschriften gaat – zolang buitenhuwelijkse aangelegenheden zich niet openlijk manifesteerden, deed men alsof het niet bestond.

Wellicht vindt men het vanuit het oogpunt van de romantische liefde – die vandaag de dag geacht wordt uitgangspunt te zijn voor het huwelijk – het nog wel te begrijpen als mensen die in een gearrangeerd (verstands)huwelijk terechtkomen, op zoek gaan naar intimiteit buiten hun huwelijk. Maar als we uit romantisch liefdesgevoel voor elkaar hebben gekozen is een verlangen naar iemand buiten de relatie extra pijnlijk. Een stap buiten het romantische huwelijk wordt dan een afwijzing van jou als partner, die geacht wordt alles voor de ander te zijn zodat hij of zij geen andere verlangens heeft dan verlangen naar jou.

Een huwelijk met exclusiviteitseisen bréngt iets voor het deel in onszelf dat verlangt naar veiligheid en geborgenheid, maar als je álles in die ander moet vinden en álles voor die ander moet zijn, legt het ook een grote druk op de relatie. Immers: als je niet alles voor die ander blijkt te zijn blijven er maar twee mogelijkheden over: of je hebt gefaald of je partner blijkt een onbetrouwbare slechterik. Dat is twee keer verlies. Niemand wint.

Verschillende mensen hebben in de afgelopen jaren geprobeerd nuance te brengen in het beeld van goed en fout als het gaat om de mensen die zich gedreven voelen verder te kijken dan de eigen huwelijkspartner. Niet omdat ze ‘ontrouw’ willen aanmoedigen (net zomin als ik dat nastreef). Wel om het vrije gesprek erover te openen. We kunnen wel vinden dat het niet mag bestaan, maar het bestaat.
Alain de Botton schreef over het gevaar van hoge idealen ten aanzien van de liefde omdat er nauwelijks aan is te voldoen. Esther Perel publiceerde over mensen die een affaire beginnen en dat niet doen omdat ze hun huwelijkspartner in de steek willen laten, maar omdat ze een ander deel van zichzelf tot uitdrukking willen brengen en méér willen zijn dan wie ze in het huwelijk zijn geworden. (‘Wie ben ik en wie zou ik moeten zijn.’)

Er is vandaag de dag een enorme markt in relatievorming ontstaan: een veelheid aan datingsites en -apps. Talloze televisieprogramma’s waarbij mensen hun ‘first date’ hebben of zelfs trouwen ‘at first sight’ (gearrangeerde huwelijken op basis van onder meer persoonlijkheidstests en gesprekken met ‘deskundigen’ om eindelijk ‘de ware’ te treffen.)
Want er is veel verlangen. Verlangen naar de romantische, exclusieve liefde. En in de programma’s is te zien hoezeer wensenlijstjes en grote idealen het moeilijk maken een ander werkelijk te ontmoeten en te zien.

Gevraagd naar wat deze mensen zoeken in een partner, lijken het ‘eenvoudige’ verlangens. Vrijwel altijd zeggen de zoekenden dat ze iemand willen bij wie ze thuis kunnen komen na het werk, met wie ze samen dingen kunnen doen en met wie ze ‘s avonds op de bank kunnen zitten.
En dan blijkt dat het nog helemaal niet zo eenvoudig is om dat samen te doen.
Maar we blijven zoeken naar ‘die ene’. En we hebben oordelen over wie moeite heeft aan het ideaal te voldoen.

Een oordeel past niet in het ‘morele gesprek’. Dat werd tijdens de simulatiegesprekken in het onderwijsprogramma ook duidelijk. Voor werkelijke introspectie en reflectie en de bereidheid van de ondernemer in de spiegel te kijken, was het noodzakelijk dat er een vrije ruimte was waarin alles besproken mocht worden, zonder dat er vooraf een eis lag dat het tot een bepaalde uitkomst moest leiden (op basis van een oordeel van de commissaris).
In de voorbespreking voor de simulatie zei Wim Dubbink tegen me, dat een echt moreel gesprek wellicht alleen kan plaatsvinden tussen vrienden. Met iemand die van je houdt.
Als dat zo is zou het vermogen in je relatie elkaar de vrijplaats te bieden voor het gesprek over ‘wie ben ik en wie zou ik moeten zijn’ een mooie getuigenis zijn van je liefde voor elkaar.

Kunnen we elkaar die vrije gespreksruimte bieden?

Iemand schreef over de zoekende personages in ‘Groener gras‘, dat hun gedrag misschien herkenbaar zou zijn voor iemand die al met één been buiten het huwelijk stond, maar niet voor mensen die met beide benen op de grond stonden.
Ik denk dat dat niet zo is. En misschien vreest degene die het schreef dat ook. Ik lees het in ieder geval als een bezwering. De cijfers over ‘vreemdgaan’ geven er aanleiding toe.

Laten zien wat er is. En erover praten. Erkennen dat ook mensen die het er niet om te doen is hun partner te verlaten, essentiële verlangens kunnen hebben. Ook als je dat niet (meteen) begrijpt.

Want als je met beide benen op de grond blijft staan, is er maar één manier om op de bank te zitten.

bankje from Loes Wouterson on Vimeo.

Liked this post? Follow this blog to get more.