Ik ben

Toen ik op de toneelschool zat en bezig was acteur te worden, las ik over Sartre.

De vraag wie ben ik is een relevante vraag op het moment dat je dagelijks bezig bent de weg af te leggen naar gedrag, gedachten en gevoelens die je als van jezelf beschouwt naar repertoire aan gedrag, gedachten en gevoelens die je je (nog) ervaart als ‘niet-ik’.
De essentie die ik onthield van wat ik destijds las, is een zin die bleef hangen: ‘je kunt van jezelf wel denken dat je een dichter bent, maar je kunt pas zeggen dat je dichter bent als je je eerste gedicht hebt geschreven.’

Als ik het nu even opzoek [1] vind ik onderbouwing: de mens is aanvankelijk niets en kan alleen iets worden en dat zal zijn wat hij van zichzelf maakt. Sartre: ‘De mens is niets anders dan wat hij van zichzelf maakt. Dat is het eerste beginsel van het existentialisme.’ 

Vrij vertaald betekende het voor mij: blijf handelen. Geef jezelf vorm.

Als kind schreef ik graag. Het gaf vorm aan wat er in me leefde. Ik las ook graag. Met mijn jeugdvriendin wisselde ik lange brieven uit, waarin we ons verbeeldden dat we personages waren uit onze favoriete meisjesboekenreeks ‘De olijke tweeling’. Zij was Thelma, ik was Ellis.
Onze brieven en verhalen werden steeds langer en op een dag zette ik me ertoe een schrift met harde kaft vol te schrijven met een door mij bedacht verhaal over een meisje en een gestolen ketting.

Alsof mijn moeder deze zinnen van Sartre had gelezen:‘Om de waarheid over mijzelf te weten te komen moet ik die waarheid via de ander verkrijgen. De ander is voor mijn bestaan onmisbaar, en even onmisbaar bovendien voor de kennis die ik van mijzelf heb.’ [1] zocht ze voor mij het adres van de uitgeverij van kinderboeken op.

Dit was hun reactie.

‘Stellig niet onaardig.’ Ik begreep er genoeg van om te weten dat dat me niet tot schrijfster maakte.
Schrijven bleef ik altijd doen. Het vorm geven. Gestalte geven aan gedachtenvluchtigheid en de (on)beweeglijkheid van gevoelens.

Eind jaren ’90 schreef ik opnieuw een verhaal met begin, midden, eind. Over een vrouw die de tweede geschiedenis beleefde. Geen schrift met harde kaft, maar geprint papier reisde af naar het Amsterdamse.
In 2001 lag er een boek met mijn naam erop. Mijn foto.
Voilà, Jean-Paul. Was ik nu schrijfster?

Een vraag waarvan ik in september 2017 niet zo goed meer wist welk antwoord ik erop moest geven. Het was alweer 15 jaar geleden dat mijn laatste roman werd gepubliceerd.
Maar hij stelde de vraag niet, Harold. Redacteur. Hij vroeg alleen: ‘Wat schrijf jij zoal?’ En of ik zin had om een keer over boeken en schrijven te praten bij een kop koffie.

Nog voor mijn tweede kind werd geboren, woonde ik alleen met mijn eerste kind. Kostwinner en alleenouder. Alles wat tijd vroeg die niet direct ten goede kwam aan de kinderen, stond onder druk. Schrijven? Ha! Hoe dan?
Eind 2017 waren ze 17 en 18, mijn kinderen. En was er Harold. Iemand met interesse, die wilde lezen wat ik schreef en er met me over wilde praten.
En dat bleek genoeg om te beginnen. Een waardevolle meelezende vriendin genoeg om het vol te houden en nog een om het af te maken.

Een daar is het. Daar ben ik:

Schrijfster van ‘Groener gras’. 2019. Ambo Anthos | redacteur: Harold de Croon.


[1] https://humanistischecanon.nl/venster/existentialisme/jean-paul-sartre-het-existentialisme-is-een-humanisme-1946/

Liked this post? Follow this blog to get more.