Rondetijd

Hij is groot, dus zijn rolstoel ook. Hij wordt naar de huiskamer gebracht en weer gehaald als hij naar zijn kamer wil of naar bed wil. Uit zijn levensloop weet ik inmiddels dat hij de ziekte die hij heeft als dertiger al kreeg. In ons huis is hij als zestiger relatief jong. De combinatie van de ziekte en medicijnen maken dat hij tussen de maaltijden en interacties door wegdommelt. Spreken kost moeite, alle bewegingen blijven regelmatig even ‘hangen’ alsof ze ernstig overdacht worden.

Maar soms is er ineens vastberaden activiteit. Dan duwt hij zijn stoel van tafel en met alles wat hij onderweg tegenkomt en met wat manipulatie van de wielen, gaat hij op weg. Bij aanvang met een duidelijk doel voor ogen. Soms fladdert het doel onderweg weer uit zijn hoofd.

Dit keer koerst hij op de keuken in de woonkamer. Een deel van het keukenmeubilair met de gootsteen, is tegen de muur gebouwd. Daartegenover staat een keukenblok met werkblad en kastjes eronder. De ruimte tussen aanrecht en werkblad is niet zo breed, dus als hij eenmaal de bocht heeft genomen, is er geen mogelijkheid tot keren.
Ik zou kunnen vragen ‘waar ga je heen’, maar dat klinkt zo alsof hij verantwoording zou moeten afleggen. Of alsof hij geholpen moet worden.

Ik weet uit zijn levensverhaal dat hij zijn ziekte liever met humor benadert dan dat het zwaar wordt door meelevend te zijn. Als ik hem dan ook aan tafel weleens zie met een verdwaalde lepel of vork op zijn schoot, vraag ik of hij aan het sparen is voor zijn uitzet. Hij volgt dan mijn blik naar het bestek en lacht.

Nu staat zijn grote stoel in de keuken, voor de afwasmachine die ik straks wel even uit moet ruimen.
‘Je bent onderweg,’ zeg ik.
Hij kijkt naar me. We hebben oogcontact.
Ik wijs naar mijn mondkapje.
‘Ik lach, hoor.’
Hij lacht ook.
‘Je was van plan om …’ Ik maak de zin niet af.
Hij kijkt een beetje opzij met een glimlach die voor hemzelf bedoeld lijkt. Een binnenglimlach. Hij maakt aanstalten iets te gaan zeggen. Ik stap dichterbij want hij praat altijd zacht. De anderhalve meter voorbij.
‘Ik ben bezig mijn rondetijd te verbeteren,’ zegt hij.
Ik glimlach achter mijn mondkapje.
‘Aha, heel goed,’ zeg ik. ‘Dan zal ik de tijd even bijhouden.’
Ik pak mijn telefoon en tik de stopwatch aan.
‘Je hebt het nu makkelijk want je kan je overal vasthouden,’ zeg ik.
Hij knikt en gaat aan de slag. Zijn tempo versnelt om de twee meter langs het keukenblok af te leggen. Links en rechts duwt hij zich af en trekt hij zich voort.
Hij stevent op de vuilnisemmer en de waszak af.
‘Ik zal je matsen,’ zeg ik. ‘Die haal ik even weg.’ Ik voeg de daad bij het woord. ‘Anderhalve minuut! Blijf je binnen de twee minuten?’
Hij duwt tegen de koelkast, de muur en neemt de bocht.
‘Tweeminuut eenendertig!’ klok ik af.
Hij knikt en lacht.
‘Als ik de volgende keer kom, verwacht ik wel een verbetering,’ zeg ik lachend.
Hij lacht en knikt.
Ik wrijf hem over zijn rug na deze sportprestatie.
Hij blijft staan bij een tafel.
Ik begin de vaatwasser uit te ruimen. ‘Zeg je het me als je naar je kamer wilt?’










April 2020, in coronatijd, ging ik werken in de verpleeghuiszorg, omdat ik wist en vermoedde dat het daar voor bewoners zwaar zou zijn door de isolatiemaatregelen. Ik ben daar 12 uur per week medewerker welzijn.

Liked this post? Follow this blog to get more. 

Share this Post