Geloofwaardig spel

Laten we aannemen dat het doel was geloofwaardig over te komen.
En daarnaast doe ik de aanname dat het ‘spel’ is om deze spijtbetuiging zo vorm te geven. Het is immers geen spontane monoloog, het is geënsceneerd en dat betekent per saldo, dat je – net als een acteur – ‘opnieuw waar moet maken’ wat je bedacht hebt te gaan zeggen. Dat je de geschreven tekst levend en actueel moet maken, zoals een acteur dat doet.

Spijt is een ingewikkelde emotie, waar altijd de vraag aan kleeft: heb je oprecht spijt van wat je gedaan hebt, of heb je vooral spijt van de consequenties van wat je deed?
De zinsnede: ‘Ook al paste de reis binnen de voorschriften …’ doet vermoeden dat het tweede aan de hand is. De formulering die erop volgt: ‘ … het was heel onverstandig om geen rekening te houden met …’ is een geobjectiveerde vaststelling waarmee de spreker zich niet hoeft te identificeren.

Nu komen we bij de speltips voor geloofwaardig spel:

Identificatie leidt tot inleving

Als je geloofwaardig en ingeleefd wil spelen is het belangrijk je te identificeren met wat je zegt en dit ter plekke (opnieuw) te doorleven. Blijf je op afstand dan voorzie je je spel vanzelf van ‘commentaar’. De kijker ziet dan 2 dingen: een speler die doet alsof hij/zij iets beleeft als personage en tegelijkertijd dat wat de speler vindt van het personage dat hij vertolkt en van wat het personage beleeft. Dat kan geestig zijn als je ervoor kiest om bijvoorbeeld satire te maken of een persiflage, maar als je geloofwaardig over wilt komen, werkt het niet.

Speel niet het resultaat, speel de weg ernaartoe (of: emotie is niet het doel)

Kijk je naar de houding en expressie van de koningin dan zie je de uitbeelding van een emotie. Ze speelt het resultaat, als ware het een instructie van hoe wij, toeschouwers, het moeten lezen en wat wij erbij moeten voelen. Ze zegt geen tekst en we weten natuurlijk niet wat ze denkt, dus we weten niet of ze daar iets oprecht zit te voelen. Voor iemand die geloofwaardig wil spelen is het minder belangrijk oprecht bezig te zijn om een emotie te voelen dan dat die emotie plaatsvindt bij de kijker. Emotie van de speler/het personage is dus nooit het doel. Doel is: de emotie en betrokkenheid te genereren bij de kijker. Dat doe je niet door iets ‘erg’ te vinden of een treurige houding aan te nemen, maar door heel actief betekenis te geven aan de situatie waardóór er expressie en beleving bij je ontstaat. Als we als kijker de beleving zien ontstaan, gaan onze spiegelneuronen aan het werk en is de kans het grootst dat we ook iets mee-beleven en mee-voelen terwijl we kijken.
Dit klinkt misschien ingewikkeld. Je kunt het ‘t beste leren en ervaren door het te doen.

Showing, not telling, en kleur geen rode rozen rood

Vertél niet dat je pijn hebt, leg niet uít dat betrokken bent, maar laat het zíen.
Als je een ruzie speelt tussen twee mensen kom je er niet met zeggen: ‘Ik ben heel boos!’ Als je lichaamstaal, expressie en intonatie niet hetzelfde vertellen, kom je incongruent en niet geloofwaardig over.
Kom je wat verder in het acteervak en wil je personages van vlees en bloed spelen, dan zet je bij voorkeur personages neer die meer gelaagdheid hebben. Iemand die boos zegt: ‘Ik ben heel boos’, vertelt twee keer hetzelfde. Iemand die laat zien dat hij boos is in houding en gedrag en zegt: ‘Ik hou van je,’ worstelt met zijn gevoel, met zijn liefde en laat zien dat we in staat zijn tot complexe emoties. We kunnen van iemand houden en tegelijkertijd boos zijn. We kunnen betrokken zijn bij landgenoten en tegelijkertijd ons even helemaal willen terugtrekken van alles dat ons belast en vinden dat we een vakantie nodig hebben. Dat maakt ons tot mens. Met deze complexere gelaagdheid maak je een personage alleen maar geloofwaardiger.

Het wáár maken van de tekst

Het is altijd lastig om tekst die niet van jezelf is, die door een ander is bedacht en/of geschreven wáár te maken. Dat wil zeggen: de tekst zo te zeggen dat een toeschouwer gelooft dat de tekst ter plekke in je opkomt.
Wat helpt: is je zo te verbinden met wat je zegt dat je het voor je ziet, en dat je er actief betekenis aan geeft. Met de verbinding (identificatie) en betekenisgeving roep je beleving op, waardoor je via inleving tot geloofwaardig spel komt.

Menig acteur m/v schrijft mee aan een scenario. Niet omdat hij of zij uitgenodigd wordt door de tekstschrijvers tijdens het schrijfproces maar omdat de acteur m/v tijdens het identificatieproces met de rol feilloos de inconsistenties uit de tekst haalt. Zo heeft elke regisseur een acteur weleens horen zeggen: ‘Dit klopt niet. Als ik daar dat zeg, dan is het raar dat ik hier opeens dit zou zeggen.’ Vaak zijn dat precies de teksten waar een tekstschrijver het personage iets in de mond heeft gelegd, omwille van het plot of een wending in een verhaallijn.
Had een acteur zich geïdentificeerd met de tekst van de koning, dan had hij waarschijnlijk tegen de regisseur gezegd: ‘Als ik hier zeg “ons eigen besluit om terug te keren is genomen vanuit het besef dat we niet hadden moeten gaan” en ik meen dat echt, dan moet ik me daarna niet verdedigen met dat we vanaf het begin van de coronacrisis “ons best hebben gedaan om binnen de grenzen van het coronabeleid ruimte te vinden en er zoveel mogelijk te zijn voor iedereen die in onzekere tijden steun zoekt”. Dan is het net of we zeggen: we hebben ook voor jullie de grenzen binnen het beleid opgezocht als je steun nodig had, dan mogen we het toch ook voor onszelf. Dat klopt niet. Ik moet als koning óf echt vinden dat ik een slechte keuze heb gemaakt, óf ik vind dat ik mijn besluit wel kan verantwoorden maar dan moet ik er ook voor gaan staan.”
Dan bestaat er natuurlijk de kans dat de regisseur zegt: ‘Ik vind het theatraal interessanter als de koning wel zegt dat het hem spijt, maar dat hij eigenlijk vindt dat hij gelijk had door wel te gaan.’ En een acteur die gelaagde karakters kan en wil spelen, zegt dan vermoedelijk: ‘Oké, dat kan, maar dan moet dat er niet te dik bovenop liggen.’

Een van de belangrijke randvoorwaarden om tekst te kunnen zeggen alsof het je eigen tekst is en om die tekst te laten overkomen als vanuit je eigen denken en voelen, is: leer de tekst uit je hoofd.
Er zijn maar weinig acteurs die kunnen spelen met ‘tekst uit het vuistje’ (je leest een zin en maakt hem meteen waar). Dat is hogeschoolacteren en als beginner kun je je daar beter niet aan wagen en doe je er verstandig aan je de tekst vooraf helemaal eigen te maken.
Voor het waar maken van de tekst moet je niet alleen de woorden uit je hoofd leren, je legt ook het fundament dat onder de tekst ligt. Het fundament van: waarom zeg ik dit, wat vind ik ervan, wat beleef ik erbij, wat betekent het voor me, waarom vertel ik dit en tegen wie, etc. Bijkomend voordeel: als je de tekst leert vanuit dat fundament van betekenisgeving, kun je de woorden ook veel beter onthouden. Onze hersenen zijn niet in staat grote hoeveelheden tekst te onthouden zonder dat die een diepere betekenis voor ons hebben.

Maak jezelf beschikbaar en gebruik je denken, lichaam en gevoel

Zeker acteurs die geleerd hebben te acteren voor camera, zijn er van doordrongen dat wat ze spelen in beeld wordt gebracht en dat de kijker het dus moet doen met datgene dat binnen het kader valt.
Als je in een medium shot zit, waarbij je van je kruin tot aan halverwege je onderbenen te zien bent, spreek dan met je hele lichaam en niet alleen met je hoofd of gezicht, want dat komt onnatuurlijk over (om niet te zeggen houterig) en doet dus af aan de geloofwaardigheid.

Van spelen valt enorm veel te leren. Juist doen-alsof helpt je dichtbij wat echt en waarachtig is. Spelen is talloze keren de weg afleggen tussen gedrag dat je al kent en dat je tot het jouwe rekent naar gedrag dat je graag geloofwaardig in de wereld wilt kunnen zetten.
Regelmatig krijg ik als acteur de vraag: ‘Als je zo vaak anderen speelt, weet je dan nog wel wie je zelf bent?’
Ja, dat weet ik.
Als geen ander.

Liked this post? Follow this blog to get more.