Opruimen. Bewaren.

Zondag, 15 juli 2012

Zo’n zondag in juli. Onderaan de glijbaan van de werkpiek die de schoolvakanties inroetsjt. Een zondag in een maand die nog maar niet wil zomeren. Een zondag  die als regenachtig noch zonnig gedefinieerd wenst te worden. Een dag, dus, om links en rechts wat klusjes te doen. Een beetje te hangen. Wat op te ruimen.

Gevonden

Op deze dag stuurt mijn moeder me een e-mail met een overgetikt gedicht. “Het staat in een album. Het is in het handschrift van mijn vader,” schrijft ze.

 

   

 

Ik tik de eerste regels in op google en vind informatie in “Het Geheugen van Nederland” en op Herdenking.nl.

Twee uurtjes later staat ze beneden, met het album en geeft het aan me.

En nu ligt het op mijn bureau.
Een album is het eigenlijk niet. Van binnen zijn de eerste tientallen pagina’s de blaadjes uit een lijntjescahier. De een na de ander drager van kleine foto’s, die ooit met spaarzaam geknipt plakband waren vastgeplakt, de meesten hebben het blad nu losgelaten; kleine bruine rechthoekjes waar het plakband heeft gezeten. De daaropvolgende tientallen pagina’s zijn zo te zien met de hand op maat geknipt uit blanco papier; velletjes die me doen denken aan wat vroeger op goedkope kladblokken zat, van de Hema, als ik het me goed herinner. Deze velletjes zijn iets dikker. In de blaadjes zijn twee gaatjes geperforeerd met daardoorheen wat tegenwoordig een snelhechter heet. Eromheen de omslag van een boek, bewerkt, zoals dat vroeger nog wel gebeurde, met gekleurde figuren met gouden rand. 

De titel van het oorspronkelijke boek gaat, vermoed ik, schuil achter het vierkantje karton, waarop mijn opa “Rotterdam 1940-1946” schreef. Aan de binnenzijde van de kaft herken ik het kaftpapier, netjes gelijmd, waarmee mijn oma vroeger menig boek heeft opgelapt, dat zij in haar antiquariaat een tweede leven (of een derde, vierde, vijfde) bood.

Bovenop het binnenwerk van aaneengehechte blaadjes vind ik een envelop met verschillende zwaar vergeelde documenten. Een dateert van 15 december 1941, waarop  opa wordt opgeroepen bij een luchtaanval zich in te zetten voor de bescherming van het volk. Een “Aanstellings- en Legitimatiebewijs” van de “Luchtbescherming Schiedam”
Een pasje uit 1945 waaruit blijkt dat hij lid was van de “Ned. Binnenlandsche Strijdkrachten“.
En een stapeltje foto’s. Zwart-wit.
Mannen die in pak en met stropdas over een plein lopen. Op hun hoofd een stalen helm, die, hier en daar meer dansend dan passend, op de plek worden gehouden door een bandje onder de kin.
Mannen, opgesteld als betrof het een voetbalploeg achter een bord met de tekst
“3e Peleton
2e Compagnie
BT 14
District 2″
En een groep mannen, deels met en deels zonder helm, de voorste rij met het geweer in de aanslag. Mijn opa in pak, ernstig in de camera kijkend.

Op de eerste gelinieerde pagina, schreef mijn opa:

“Foto’s Van Het Bombardement Van Rotterdam En Foto’s Zoals Het Was. Foto’s Binnelandsche Strijtkrachten. Gedicht naar aanleiding van een aanplakbiljet door de Duitschers in 1940 aangeplakt waarop stond dat de Engelsche vliegers geen genaden kende voor de vrouwen en kinderen.”

Op de tweede pagina het gedicht, dat illegaal verspreid werd. Net iets anders geschreven, hier en daar, dan ik op internet terugvind.

Er kwamen vliegers aangevlogen
Haast als een lammetje zoo zacht
D
ie hebben vol van mededogen
Een bezoek aan Rotterdam gebracht
Zij lieten daar hun bommen vallen
Door liefde en tederheid bezield
De vliegers die genade kennen
Die hebben Rotterdam vernield

Daar werd een ziekenhuis getroffen
Waarop de Rode Kruis vlag stond
Daar was het dat men alle eisen
Van recht en van beschaving schond
Daar stonden duizendtallen huizen
In weinig tijd in vuur en vlam
De vliegers die genade kennen
Die bombardeerden Rotterdam

Daar werden vrouwen – grijsaards – kinderen
Door de genadige geveld
Bij ijdel vluchten in de vuurzee
Door vallend steen terneer geveld
Daar vluchten angstig voortgejaagde
Door de vurige straten voort
De vliegers die genade kennen
Die hebben Rotterdam vermoord

Van uit de Rotterdamsche puinhoop
Stijgt fel en grauw de schrille kreet
“Ziet en onthoud wat hier geschied is
Wie hier genade gelden deed”
Die kreet weerklinke allerwegen
Door het geknechte Nederland
De vliegers die genaden kennen
Die hebben Rotterdam verbrand

Bewaard

Zij ruimde op, vandaag, mijn moeder. Net als ik.
En vond wat duidelijk gemaakt was om te bewaren. Zorgvuldig opgetekend. Ingeprent met elke pennenstreek.
En gedocumenteerd. Een fotoreeks. Van de daad en hoe het erna was, op de gelinieerde pagina’s.
En van de stad zoals die eens was, in volle glorie, op de ongelinieerde pagina’s erna.

Vandaag, lieve opa, ruimden we op. Jouw dochter en jouw kleindochter. En we bewaarden. Ik hou van jou.

klik op een afbeelding om ze in beeld te krijgen

Liked this post? Follow this blog to get more. 

6 thoughts on “Opruimen. Bewaren.”

  1. Jouw glijbaan ben ik afgegleden. Met een doffe dreun ben ik in het zand beland. Nog wat onwennig zit ik daar. Durf ik eigenlijk nog niet op te staan. Uit eerbied voor jouw oog voor detail. Voor de aandacht die jij schenkt. Aan dit heel persoonlijke kleinood. Van grote betekenis. Voor jou. Voor jullie.

    En na vandaag ook voor mij! Dank voor het delen. Moedig van je.

    X

  2. Dank je wel, Steven, voor je betrokkenheid; jij die jaarlijks -niet geheel vrijwillig- ondergedompeld wordt in de pijn van Putten. Het zijn geen gemakkelijke grootheden. Een klein gebaar: jij in het zand, een moment van aandacht, helpt. En is genoeg. Voor mij. Dank.

  3. Hartverwarmend en ontroerend om het bewaren, wat eigen is. Beklemmend omdat het gaat over een tijd die als een aardverschuiving was, niet alleen voor de mensen die toen leefden maar ook voor hun nazaten. Machtig schrijven @->–

  4. Wat een prachtige sfeertekening van een sombere zondag in juli.
    Mij trof, naast jouw persoonlijke verhaal, de eerste strofe van het gedicht.

    Er kwamen vliegers aangevlogen
    Haast als een lammetje zoo zacht
    Die hebben vol van mededogen
    Een bezoek aan Rotterdam gebracht
    Zij lieten daar hun bommen vallen
    Door liefde en tederheid bezield
    De vliegers die genade kennen
    Die hebben Rotterdam vernield

    Ik moest denken aan een verhaal over de Dalai Lama. Toen journalisten op weg waren naar een interview met Zijne Hoogheid over compassie, zagen ze op straat in India een man die een zwerfhond sloeg. Ze vroegen hem: hoe moeten we nu omgaan met compassie bij het zien van zo’n akelige man. De Dalai Lama antwoordde: door net zoveel compassie te hebben voor de man als voor de hond.
    Want het is zo triest als je zo wreed kunt zijn, ook voor jezelf, en zeker vanuit een spiritueel oogpunt.

    De ouders van een vriendin (vader 99, moeder 92) zijn deze week door een jonge vrouw beroofd van hun dierbare juweeltjes. Ze zitten al drie dagen te huilen en voelen zich schuldig omdat ze niet beter hebben opgepast. Hoe kun je dan compassie hebben met die jonge vrouw?

    Die gruwelijke dilemma’s komen bij mij boven bij het lezen van je column. Je hebt me weer eens geraakt Loes, deze keer via internet. Maar dat maakt niets uit.

    Veel liefs,
    Bert.

  5. Bert, dank je wel voor je warme reactie.
    Ik kan je associatie helemaal volgen. En de worsteling die bij de dilemma’s hoort. Het is een haast onmogelijke opgave om alles wat er in de wereld gebeurt, elke daad een plaats te geven. Het voelt een beetje alsof je degene, nadat die jou in de bus van je stoel sleurde en in het gangpad duwde, je zitplaats aanbiedt. Soms wil je iets (of iemand) geen plek geven. Wil je dat iets of die iemand bestaansrecht weigeren. Maar ja. Zinloos. Het bestaat. De plek is al ingenomen. En dan rest niets anders dan je ertoe te verhouden. Makkelijk is het niet.
    Dank je wel dat je de tijd hebt genomen mijn verhaal te lezen en je reactie te schrijven. Je plek in te nemen. Gegund. En zeer gewaardeerd. Lieve groet terug. Loes.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *