De reis eindigt

Toen de coronacrisis uitbrak en de verpleeghuizen op slot gingen, voelde ik onmiddellijk: dit is erg. De bewoners zonder contact met familie en vrienden, zonder activiteiten, afgesneden van de buitenwereld.
Ik was door mijn werk als Master of Action Learning, als acteur in organisaties en als Dementia Care Mapper vaak in verpleeghuizen geweest en voelde me altijd betrokken bij het welzijn van de bewoners.
De medische blik staat in de meeste huizen nog altijd voorop: de dagindeling is georganiseerd rondom medicijnrondes (en sinds Covid komen daar rondes van temperatuur- en saturatiemetingen bij), lichamelijke verzorging en eten en drinken.
Contact met anderen, liefdevolle en warme interacties zijn onontbeerlijk om even te vergeten dat je fysieke ongemakken hebt en dingen niet meer kunt. Onontbeerlijk om te zorgen dat je je gezien voelt in wie je bent. Niet in wat je mankeert.

Ik mocht in een verpleeghuis komen werken. Ze zouden net het ‘bezoek-achter-glas’ gaan organiseren. Er werd een ruimte vrij gemaakt en ingericht om bewoners aan één kant binnen te laten en hun familie aan de andere kant.
Daar zat ik aan de kant van het glas waar de familie graag gezeten had, maar niet mocht. Voor bewoners was het een situatie die veel uitleg en toelichting behoefde, voor zover die nog kon worden begrepen. Het riep emotie op, de geliefde, bekende ander na vele weken zonder contact, zo dichtbij te zien en toch zo ver weg.
Voor familieleden en vrienden was het niet veel makkelijker. Er waren er die zeiden: ‘Fijn dat het in ieder geval kan.’ Er waren er die boos waren. En er waren er die elke keer als hun familielid weer was vertrokken en ze die met hun beste opgewekte gezicht hadden uitgezwaaid, in tranen uitbarstten.

Op een dag liep ik langs de receptie en zag ik een vrouw van wie de partner in ons huis woonde. Ik vroeg haar hoe het ging. We hadden het even over de moeilijke situatie met dat contact achter glas. Toen ik even later weer langs de receptie kwam, wilde ik haar nog iets zeggen. Ze was weg.
De receptioniste zei enigszins ontdaan: ‘Ze is huilend naar buiten gelopen.’
‘Wanneer?’ vroeg ik.
‘Nu net,’ zei ze.
Ik liep de straat op en keek links, rechts. Toen zag ik haar op een bankje aan de overkant. Ik stak over, liep naar het bankje en hief vragend mijn handen. Ze barstte in snikken uit. Ik heb een halfuur naar haar geluisterd.

Over deze eerste coronamaanden in en rondom verpleeghuizen maakte ik een film. Om vorm te geven aan wat ik meemaakte en hoorde binnen en buiten het huis.

Op een dag zei mijn leidinggevende dat ze graag wilde dat ik op een afdeling ging werken. Weg uit het huisje, dat ook niet lang daarna werd opgeheven, omdat de regels veranderden. Ik leerde bewoners kennen en collega’s. Elke dag een nieuw verhaal, waarvan ik er een paar deelde op social media.
Waar ik in het bezoekhuisje nog werk deed in een functie die nog niet eerder bestond, werd ik nu Medewerker Welzijn.

‘Goedemorgen, lieve Loes,’ klonk het vanochtend in een Slavisch accent. Hij stopte even met zijn rolstoel in de opening van de huiskamerdeur en keek me aan. ‘Als jij er niet bent, ben ik eenzaam,’ zei hij en knikte om zijn woorden kracht bij te zetten.

Een bewoner met Parkinson krijgt in de ochtend pijnmedicatie, omdat hij anders te veel pijn heeft bij het wassen en aankleden. Het maakt samen met zijn ziekte dat hij vaak ‘weg’ is. Zijn hoofd voorover gebogen. Een arm verloren langs het wiel van zijn stoel. Gisteren pakte ik de verloren hand en masseerde hem met wat handcrème. Daarna de andere. Langzaam maar zeker kwam hij uit zijn verdovende roes en keek hij rond. En zag zo ook het ontbijt staan dat al even op hem wachtte.
‘Zo ben je weer wat bij de mensen,’ zei ik.
Hij knikte en zei iets. Ik verstond het niet en boog naar hem toe.
‘Dankjewel.’

Vandaag zat A. met zijn jas aan. Dat wil hij graag als hij van plan is naar buiten te gaan. Hij heeft haperende motoriek. Zelf eten lukt daardoor niet. Ook praten gaat moeizaam. Hij heeft net genoeg controle om op een alfabet aan te wijzen wat hij wil zeggen en om een elektrische rolstoel te besturen en naar buiten te gaan. Dat gaat niet heel snel. Regelmatig stopt hij een moment. Soms ook om een ander knopje in te drukken dat de besturing regelt. Om dan weer de stuurknop te hanteren.
Hij wint regelmatig met rummikub en zoekt onder de medewerkers ‘slachtoffers’ zoals hij dat noemt. Ik heb vaker verloren dan gewonnen van hem.
Vandaag wilde hij gaan stemmen. Een adres van een stemlokaal was op zijn stoel geplakt.
‘Kan dat dan al?’ vroeg een collega.
A. weet altijd alles. Hij ziet alles en wijst ons erop als een andere bewoner even hulp nodig heeft. Hij weet waar we moeten kijken als we iets zoeken. En dit wist hij ook: ja vandaag mocht het al. Maar er moest iemand mee.
Er was nog een welzijnscollega vandaag. Het zou om de hoek zijn. Ik ging mee. Jas dicht. Mondkapjes op. Hortend en stotend maar vastberaden gingen we stapvoets op weg. Maar het stembureau van het adresbriefje, was nog niet open. En belangrijker – hij schreef het met zijn alfabet – : ‘ik kan daar niet naar binnen.’ Niet rolstoeltoegankelijk.
‘Wil je verder zoeken of er iets in de buurt is?’
Hij knikte.
‘Niet te koud?’
Hij schudde zijn hoofd.
Het stadhuis was na een belronde met de gemeente het meest dichtbij als rolstoeltoegankelijk stembureau. Maar met ons stapvoetse tempo deden we uiteindelijk twee uur over het avontuur. Het rode potlood kreeg hij mee.
‘Een wereldreis,’ schreef hij met zijn alfabet toen we weer boven waren en hij had honger.
Ik hielp mijn collega snel verder met de lunchdrukte die al in volle gang was.

Om 13 uur had ik een gesprek. Mijn jaarcontract loopt eind april af. Een jaar na mijn gevoelde urgentie aan het begin van de coronatijd. Een jaar waarin ik van bewoners ben gaan houden en een warme band heb gesmeed met collega’s.
‘Ik ga je contract niet verlengen. Ik wil af van de kleine contracten. Dan kan ik een ander meer uren geven.’
Ik had al van meer collega’s gehoord die in dezelfde periode als ik waren aangenomen, toen er veel extra hulp nodig was, dat hun contract niet was verlengd.
‘Het ligt niet aan jou en niet aan je inzet,’ zei ze. ‘Daar heb ik niets op aan te merken.’
Het was ongetwijfeld vriendelijk en geruststellend bedoeld. Maar dat het niet uitmaakt hoe je je werk doet, is geen troost. Het is wel begrijpelijk dat het niet gezien wordt, als de leidinggevende 80 mensen aanstuurt. Een ondoenlijke opgave.

Dus nog even en dan eindigt mijn reis.

De foto hierboven is het schilderij van de bewoner met Parkinson. Hij ziet soms dubbel of vervormd beeld. Zijn kwast dwaalde vaak van het doek af. Uiteindelijk ontstond dit schilderij.
Ik vind het prachtig.

Dag lieve mensen in ‘mijn’ huis.

Liked this post? Follow this blog to get more.